Het Bensbergse slot doorheen de tijd

In het Nieuwe Slot van Bensberg zijn nog slechts povere restanten van het eens zo prachtige Barokkasteel behouden gebleven.

Achter de prachtgevel verbergt zich een kazerne

Alvorens de heer Vermandel, tot voor enkele jaren opvoeder aan het K.A.B., af en toe bezoekers door het Nieuwe Slot te Bensberg leidde , verwittigde hij ze met de mededeling : "U zal vermoedelijk ontgoocheld zijn." Georges Vermandel, wellicht de beste kenner van het slot, kent de hoge verwachtingen van de bezoekers.

Velen denken dat achter de indrukwekkende voorgevel een soort betoverend sprookjesslot ligt. Helaas wat de bezoekers zien, is het tegenovergestelde : een troosteloze kazerne met een doolhof van eenvormige verdiepingen en trieste kamers.

De tekenen van verval zijn onmiskenbaar

De muffe geur van 150 jaren onderwijzen zit in het huidige, blauwgetinte pleisterwerk ; menige zweetdruppel werd hier geplengd door een leerling : Pruisische leerling-officieren (Kadetten ), kweeklingen van de N.S.-eliteschool , Belgische atheneumstudenten leerden hier de tafels van vermenigvuldiging en nog veel meer.

Tussendoor diende het jachtslot van Jan -Willem de Oostenrijkers en Fransen als militair hospitaal ; oogziekten van Pruisische grenadiers behandeld, daarna werden Nieuw-Zeelandse , Marokkaanse en Franse soldaten in het kasteel ingekwartierd, alsmede Amerikaanse, Britse en Belgische militairen eerst als bezettingsmacht later als geallieerden. In het nabije verleden legden rekruten van het Duitse leger met marsmuziek en in de schijn van fakkellicht hun eed van trouw af.

Voor de tweede maal deze eeuw wonen daklozen in het slot: tijdens de krisis in de jaren 20 en 30 waren het Duitse families, nu wonen onder moeilijke omstandigheden in de zuidelijke vleugel Bosnische oorlogsvluchtelingen.Vergeten we ook niet dat gevangenen van het concentratiekamp Büchenwald in het kasteel moesten werken. In deze kaleidoscoop van rustige, rumoerige,welvarende en ellendige tijden ziet George Vermandel een facet van het kasteel en zijn geschiedenis, dat met het oog op het toekomstig gebruik ervan een beetje op de achtergrond geraakt : dat namelijk dit, voor het Rijnland grootste kasteeldomein, sinds de bouw 300 jaar geleden met bijna alle grote stromingen en vertakkingen van de Europese geschiedenis op een of andere manier verbonden is.


Heden is het kasteelgebouw in een slechte toestand. Wel restaureert de huidige eigenaar, de bondsstaat Noordrijn-Westfalen, met beperkte middelen het dak ( en biedt het kasteel voor 1 DEM te koop aan ) maar het verval is zichtbaar. Beschadiging ten gevolge van insijpelend regenwater doet op de derde verdieping de bepleistering van de muren en het plafond vallen en in de hoeken van de kale kamers ziet men door de gaten in het plafond de balkenconstructie van het dak. Buiten- en tussendeuren zijn afgesloten doch enkele pornografische krabbels laten vermoeden dat onbe-voegden zich af en toe toegang verschaffen.

Het ganse Rijnland ligt aan je voeten.

Spijts alles wordt het gebouw nog verwarmd : niet alleen voor de Bosnische vluchtelingen en de ongeveer 300 Belgische leerlingen maar ook om het gebouw niet volledig te laten afkoelen.

Het meest indrukwekkende is het panorama: in noordelijke richting zie je de stad Neuss, in het zuidwesten kan je tot aan de Sneeuw-Eifel zien en op heldere dagen kan je in westelijke richting de waterdamp uit de koeltorens van de electriciteitscentrale van Weisweiler waarnemen. Het Rijnland ligt aan je voeten en Georges Vermandel kon aan de hemel en het zich steeds veranderende licht voorspellen welk weer het de volgende dag zou worden. Helemaal verdwenen is het kultureel waardevolle erfgoed niet en in twee minuten, zoals Georges Vermandel ironisch opmerkte, kon je het niet verwerken.

De Pruisen, die het kasteel 160 jaren geleden met genadeloze brutaliteit in een opleidingsschool voor kandidaat-officieren ombouwden, hebben per vergissing het een en ander overgelaten maar helaas veel te weinig.

Pronkstuk is het plafond in de koepel van het zuidelijke trappenhuis . Het wordt momenteel gerestaureerd en stelt de "Val der Giganten" voor . Het is de enige muurschildering, die nog bewaard is gebleven. Domenichino Zanetti uit Bologna schiep het omstreeks 1713. De centrale figuur is de toornige Zeus met getande kroon, gezeten op een adelaar en met de rechtse hand de bliksem door de lucht slingerend.

De keizer wordt als Zeus voorgesteld

De neerstortende Titanen omklemmen zich in doodsangst, rotsblokken storten op hen en in de diepte zijn reeds enkelen verpletterd.

Het beeld is een allegorische voorstelling van de Spaanse erfenisoorlog : de Keizer, aan wie de keurvorst spijts zijn voorkeur voor zijn door hem benijd en bewonderd voorbeeld, zijnde Lodewijk XIV, trouw zwoer, werd door Zeus gesymboliseerd en de vallende Titanen waren zijn erfvijanden .

In de plafonds van de koepels zie je plastische beelden en wapenschilden . Regeringsbouwraad, Werner Dobisch, die de restauratie- en verbouwingswerken van 1934 tot 1937 leidde en een stan-daardwerk over het kasteel schreef , klaagt over de " onvolkomen artistieke harmonie tussen het stucwerk en de geschilderde versieringen". Dobisch vond dat de twee aan elkaar vastgebonden slaven " met hun te tengere lichaamsbouw " en " ongelukkig verdraaide ledematen " in " lach-wekkend" contrast staan met de reusachtige Giganten.

Er is ook nog het prachtig gestukadoord plafond van de keurvorstelijke slaapkamer, die centraal gelegen is op de eerste verdieping van het middengebouw . Dit plafond is overdadig bezaaid met bundels palmbladeren, rankende tak- en bladornamenten. Langs de smalle oostelijke zijde van deze kamer dragen engeltjes (pluto´s) de kroon van de keurvorstin Anna Maria Louisa van Toskanië, de laatste Medici en tweede vrouw van Keurvorst Johann Wilhelm II van Palts-Neu-burg, de bouwheer van het kasteel. Er tegenover zweven goed gevleesde cherubijntjes rond de Rijksappel, symbool voor de hoogste rijksmacht. Een teken dat de " Rijksvicaris" op het toppunt van zijn macht als keurvorst gemachtigd was te dragen.

Plaats van ontmoeting was de echtelijke slaapkamer

Het plafond wordt in de lengte versierd door reliëfportretten van de keurvorst en zijn gemalin. Zij staan wel omgekeerd: hij langs de noordkant , zij langs de zuidkant. De zuidelijke helft van het kasteel was echter bestemd voor de keurvorst en de noordelijke helft voor de keurvorstin.

Ontmoetingsplaats was de echtelijke slaapkamer.Voor deze kamer schiep de hofschilder Antonio Bellucci een 16-vierkant meter grote plafondschildering met als onderwerp "een samengestelde zinbeeldige voorstelling van het in het echtelijk bed kruipen". Max Morsches, de schilderijen-expert tussen de kasteelkenners, beschrijft het als volgt: " Een laurierkroon dragende jongeling leidt een persoon tot aan een prachtig bed, waarop een uitdagende vrouw ligt. ".

Dit beschadigd beeld alsmede 4 andere schilderingen met bolwangige kinderen in bevallige hou-ding, evenzeer van Bellucci, die de vier hoeken van de slaapkamer versierden, bevinden zich in het kelderdepot van de Oude Pinakotheek te München. Vanuit de noordelijk en zuidelijk gelegen kabinetten konden de keurvorstelijke echtgenoten onmid-dellijk in de slaapkamer. Ook de met stucwerk beklede plafonds zijn behouden gebleven en zorgvuldig gerestaureerd. Hoe het daar ooit eens moet uitgezien hebben, beschreef een onbekende in de inventaris opgesteld in het jaar 1802: "Het keurvorstelijke kabinet is volledig in indiaanse stijl met allerlei roodgelakt stukwerk en verguld houtsnijwerk bekleed."

De ganse pracht en praal was werkelijk een verloren liefdesinspanning . Jan-Willem en de laatste Medici hebben het echtelijk bed onder de plafondspiegel met Bellucci´s erotische vingerwijzingen nooit gedeeld.Ook de appetijt verstrekkende engeltjes op de medaillons hadden niet het gewenste effekt : het keurvorstelijke huwelijk bleef kinderloos.

Het barokpaleis van de keurvorst biedt niet de eerste keer onderdak aan noodlijdende mensen

Dakloos: kinderdagen in het slot

Door de grote tuin van de kasteeltuin schallen de stemmen van kinderen , die hier tikkertje spelen, voetballen of hinkelen. Flarden taal klinken vreemd, slavische lijkt het. Soms is er ook een duits-klinkende woord .

Met uitzondering van de taal is deze scene van alle tijden. Waar nu vluchtelingskinderen uit het door oorlog gepijnigde Bosnië, uit Sarajevo , Bihac en Mostar en de verwoeste dorpen daartussen, ravotten en speelden in de twintiger jaren ook reeds kinderen. Zij spraken Duits, meestal een Bergisch dialect. Hun ouders hadden geen dak boven het hoofd zodat ze uiteindelijk in het kasteel van Bensberg een noodonderkomen vonden.

En dan kwamen er nog 2 bussen.

In 1919 besliste de wachtmeester van politie Peter Krauss, die zelf in het Slot woonde, op eigen houtje dat de niet door eigen schuld dakloos geworden families in de noordelijke en centraal gelegen vleugels mochten wonen. De toelating hiervoor verwierf hij nadien van de Rijksdienst der Domeinen, die op dat ogenblik eigenaar van het kasteel was. Tot in 1934 werden in het kasteel 93 families met 150 kinderen gehuisvest.

In februari 1993 was het louter toeval dat het kasteel voor vluchtelingen werd opengesteld. Dit vertelde Wolfgang Scherer, afdelingsleider van het "Sozialamt" te Bergisch-Gladbach. De oude school aan de "Buchsmühle" ,waarin ongeveer 50 vluchtelingen uit verschillende landen waren gehuisvest , moest ontruimd worden ten voordele van de Volkshogeschool. Tevens moesten de gebouwen, gelegen op het vroegere Carpark in het Milchborntal ontruimd worden. De grond moest er gesaneerd worden.

"Dan kwamen nog twee bussen met 80 Bosnische vluchtelingen. Iemand had ze vanaf de grens naar Bergisch-Gladbach gestuurd." vertelde Jens Dettmann, sociaal assistent bevoegd voor de bewoners van het kasteel.Op dat ogenblik ontruimde het Belgisch Atheneum de zuidvleugel van het kasteel . In januari 1993 sloot de stad een huurovereenkomst af met de deelstaat NRW, de huidige eigenaar van het slot. De vluchtelingen konden deze vleugel betrekken en vandaag wonen er officieel 127.

Nog een paralel met de jaren twintig: " De huurovereenkomst met de huurders kan opgezegd worden." schreef de toenmalige Regeringspresident op 19 maart 1934 aan de Pruisische minister van Financiën. Dit is heden nog zo: de overeenkomst, gesloten tussen deelstaat en bondsregering , bevat ook zo een klausule,waarbij het recht tot gebruik steeds kan herroepen worden.

Met muts en handschoenen naar bed

De gezusters Karin en Senta Krasser, leerlingen aan het Otto-Hahngymnasium , hebben in een prima studie " Leven in een monument" de geschiedenis van het wonen in het kasteel onderzocht. Ze hebben zich intensief met de herberging van daklozen in de periode 1919 tot 1934 bezig ge-houden. "Voornamelijk kinderrijke arbeidersfamilies waren niet meer in de mogelijkheid de huur voor hun woning te betalen." schrijven de beide auteurs over het verarmingsproces na de 1ste wereldoorlog in Bensberg. " Omdat er in die tijd nog geen huurwetgeving bestond, zaten deze families vlug op straat.Wanneer ook nog de huizen, die eigendom waren van de zinkfabriek-en en mijnen, moesten ontruimd worden, werden nogmaals honderden mensen dakloos."

Käthe Großkopf-Kurandt leefde als kind van 1928 tot 1934 in het kasteel.Tijdens een gesprek met Karin en Senta Krasser vertelde ze over het dagelijkse leven: " Omdat wij als kinderen altijd zo ziek waren - mijn broer had bevroren wangen en de winter van 1928/1929 was zeer streng - kregen wij de keurvorstelijke slaapkamer met het kleine bijkamertje . Helaas konden wij deze kamer niet verwarmen omdat we niet genoeg kolenbriketten kregen.Wij gingen met muts en handschoenen aan naar bed."

Wanneer ´s nachts een kind een plasje moest maken...

Alles bij elkaar: gemeenschappelijke toiletten waren er op het gelijkvloers . In de woningen was er water, petroleumlampen gaven licht.

In 1996 beschikken de huidige bewoners van de zuidelijke vleugel over electrische stroom.Doch in de logeerruimten mag niet gekookt worden, alsook " het gebruik van water is verboden" dixit Wolfgang Scherer. Vooraleer de mensen uit ex-Bosnië kwamen werden de wasbekkens verwijderd met als reden dat de buizen zo verouderd waren dat zij ieder ogenblik konden lekken.Waterschade kon het reliëf met de jachttaferelen onder de ingangsbogen vernielen. Hier botst de vraag naar sociale minimale noodzaak met zorg voor monumenten. Douches, toiletten en keuken bevinden zich in 8 containers op het slotplein. "Wanneer ´s nachts een kindje naar het toilet moet, gaat het met de moeder de lange gang door tot aan de trapzaal, de trap naar beneden, over het slotplein naar de container en terug." Zo beschrijft Dettmann een van de vele kleine noodsituaties.

Alleenstaande mannen uit ex-Joegoslavië, Turkije en Sri Lanka , die nu grotendeels het hoofd-gebouw bewonen plassen gewoon in de trapzaal . Ruzies tussen Afrikanen en Albanezen zijn er bijna niet meer. "Wij proberen homogene groepen samen te stellen. Mensen, die elkaar begrijpen" dixit Scherer. De politie, die haar bureau ten zuiden van het slot heeft,voert regelmatig controles uit.

Huisvesting in chambrettes

Overdag zijn de kamers en de chambrettes ( ruimten, die boven open zijn) op de derde verdieping meestal verlaten: de bewoners werken of bezoeken bekenden en familie. Voor de kinderen is er een soort kindertuin en een centrum voor hulp bij het maken van huistaken. Dit alles op semi-private basis en door Caritas ondersteund. De Lions-club schonk speeltuigen voor de speeltuin.De kinderen, die 70jaar geleden in het kasteel verbleven , herinnerden zich nog aan de grote gangen en de grote ruimte,waar zij konden spelen, en de voorleesavonden alsook het grote samenhorigheids-gevoel .

Waaraan zullen zich de kinderen met de vreemde woorden herinneren, wanneer zij aan hun jeugdjaren in het kasteel te Bensberg denken ?

De zusters van de keurvorst schopten het ver.Hij besloot een kasteel te bouwen in Bensberg.

Wou JAN-WILLEM een beetje pochen ?

Philipp Wilhelm (1615-1690), de Paltsgraaf van Neuburg aan de Donau , was een man met een verre blik in de toekomst. Hij had zich voorgenomen een sleutelrol te spelen in de Europese kabinetspolitiek. Dat betekende het volgende: zoeken naar de gepaste huwelijkspartner onder de nakomelingen van de invloedrijke adelijke hoven voor zijn kinderen. De erfprins uit een zijtak van de Wittelsbachers werd daarbij flink geholpen door het feit dat hij bij zijn tweede vrouw Elisabeth Amalie van Hessen -Darmstadt 23 kinderen verwekte. Negen zonen en acht dochters werden levend geboren en 13 daarvan overleefden de kindertijd.

De plannen van de Paltsgraaf gingen weldra in vervulling. De oudste dochter schoot de hoofd-vogel af en huwde met de Duitse keizer, de Habsburger Leopold II, zijn tweede dochter trad in het huwellijk met de koning van Portugal, de derde de koning van Spanje, de vierde de Poolse koningszoon Jacob Sobieski, die echter nooit de Koningstroon besteeg. Een dochter werd uiteindelijk hertogin van Parma. Karl XII van Zweden en Willen van Oranje, de latere koning van England hadden nauwe familiebanden met de Paltsgraaf.

Tijdens de herfst trok Jan-Wellem in het Bergische Land

De oudste zoon van de bedrijvige Wittelsbacher was Johan-Wilhelm (1658 -1716 ), in de volksmond Jan-Wellem genoemd, geboren in Düsseldorf en heerser over hertigdom Jülich -Kleef -Berg ; hij erfde in 1690 van zijn vader de keurvorstelijke waardigheid.

Johan -Wilhelm´s hobby was typisch voor de hogere standen van die tijd: de jacht. Wanneer de herfst begon, logeerde hij dikwijls in het oude slot te Bensberg om te gaan jagen in de omgeving. De vorst werd begeleid door zijn eerste vrouw, de aartshertogin Maria Anna Josepha van Oostenrijk, een stiefzuster van de Habsburgse keizer. Beiden schonken de parochie 1689 een kostbare barokken monstrans. " Daardoor pleegde de keurvorst reeds vroeg een uniek en door iedereen bewonderd monument" schrijft Kurt Kluxen in zijn boek "De geschiedenis van Bensberg".

Het bleef niet het enige monument.

Bensberg: een halte tijdens de huwelijksreis

Na de dood van zijn eerste vrouw huwde Johan Wilhelm in 1691 Anna Maria Louisa van Toskanië te Neuburg aan de Donau. Zij was de laatste der Medici´s.Tijdens hun huwelijksreis hield het pas gehuwde paar enkele dagen halt te Bensberg en ook later keerden beiden terug naar Bensberg om er te jagen.

Ergens moesten de keurvorst en zijn Italiaanse vrouw het idee gehad hebben om zich in Bensberg te vestigen. Het oude kasteel was voor de pompeuse jachtfeesten te klein en te weinig smaakvol.

In ieder geval liet Johan Wilhelm met het oog op de nieuwbouw de toenmalige Noordburcht, die eigendom was van de parochie, onteigenen. De pastoor werd vergoed met de grond van het huidige kerkhof. Waarom juist een zo prachtig kasteel, een "retraite de chasse", in Bensberg ?

Waarschijnlijk bestaat het vermoeden dat Johan Wilhelm zijn adelijke familie het eens tonen wou. Hij werd daarbij ondersteund door zijn mooie Toskaanse, wellicht een beetje afgunstig op het kleine kransje van schoonzussen , die als over heel Europa verspreide koninginnen regeerden.

GOETHE: " Zelfs uitgenomen Dresden niet..."

Jan-Wellem was een gunner van de wetenschappen en de musen. Het zat schijnbaar in de familie: zijn grootvader was persoonlijk bevriend met Pieter Paul Rubens en zijn vader was een kunstzinnig mecenas. Jan-Wellem ondersteunde de universiteit van Heidelberg bij haar uitbreiding en liet er kinderen uit het Bergse Land studeren.

In zijn residentie te Düsseldorf schaarde de keurvorst schilders , beeldhouwers, stukadoors en ambachtslui uit Italië, Frankrijk en de Nederlanden rond zich. Hij breidde de Düsseldorfse schil-derskolonie uit. Goethe meende dat er geen plaats in Duitsland, die zich op dergelijke concentratie kon beroemen " zelfs uitgenomen Dresden niet" was.

JAN WELLEM wou keizer van Armenië worden

De keurvorst was een overtuigd katholiek maar in geloofsvragen was hij tolerant: hij keurde in zijn hertogdom de Lutherse kerkregels goed, verschafte onderdak aan 900 Hugenoten, die uit Frankrijk waren gevlucht, alsook aan een dozijn protestanten uit Köln met in het achterhoofd de idee dat een bloeiende economie en religieuse kortzichtigheid slecht met elkaar harmoniëren.

Jan-Wellem leidde het luxe-leven van een barokvorst met alles wat daarbij hoort. Zijn persoonlijke behoeften en wensen waren maatgevend, ook zijn financiële ! Maar zijn hervormingen in de rechtspraak, in de economie en op verkeerstechnisch gebied kwamen zijn onderdanen ten goede.

Dit alles maakte hem populair bij de bevolking. Net zoals wijlen Harun al Raschid begaf zich Jan-Wellem anoniem onder zijn onderdanen om te weten te komen waar hen de schoen drukte.

Doch de keurvorst had ook een neiging tot zelfoverschatting, tot onwerkelijke mateloosheid, ja-zelfs tot verlies van werkelijkheidszin. Hij speelde met de idee zich als keizer van het kristelijke Armeense Rijk te laten uitroepen ; hij droomde van een Groot-Mediterraan Rijk, dat Sicilië , Sardinië en de Balearen omvatte.Het waren politieke projecten, die luchtkastelen bleven.

Meer geluk had Johann-Wilhelm, althans tijdelijk, met andere politieke aktiviteiten. Doch ook daar was er de tragische ondertoon van het uiteindelijk falen: een overgang naar een andere tijdsgeest, waarin Jan-Wellem niet meer thuis hoorde. Dit was in het bijzonder voor zijn Bensbergs jachtslot , dat volgens Kurt Kluxen als het enig belangrijk bouwwerk gold en waarin het heersersidee van Johann-Wilhelm op een adequate manier op artistieke wijze tot uitdrukking is gekomen.

Samen met zijn bouwmeester deelde Jan Wellem een passie, doch de grote politiek haalde hem in.

De keurvorstin wilde eerst maar een villa

Als 17-jarige begaf de later keurvorst Johann-Wilhelm zich op studiereis , ookwel "cavaliers-reis" genoemd.Zijn doel was de Europese adellijke hoven,waar zich de adellijke teenagers (van het mannelijk geslacht) met de adellijke omgangsvormen van de "beaumonde", inclusief de amoureuse ervaringen onder kundige begeleiding, eigen maakten. De Bergse Erfprins reisde met aangepast gevolg en de kosten werden door de Jülich-Bergse standen gedragen.

Versailles was het grote voorbeeld

De jongeling Johann-Wilhelm bewonderde overal de glans der kunstschatten en de weelderige pracht van de barokke hofhoudingen in Frankrijk, Engeland en Wenen.Men kan vermoeden dat het hof van Versailles,waar de Zonnekoning Louis XIV (" L´état c´est moi" ) het meest uitdrukkelijk met de idee van het absolutistische staatsidee als voorbeeld regeerde, hem het sterkst beinvloed heeft.

Dat vinden wij terug in de voorstellingen, die Johann-Wilhelm bij de bouw van zijn Bensbergs jachtslot, ontwikkelde. Anna Maria Louise , zijn tweede vrouw,moet wel meer de idee van een paleis in de bevallige stijl van haar Toskaanse heimat gehad hebben. In alle geval vraagt zij in 1693 met het oog op de bouwplannen van haar echtgenoot haar oom een schets van de villa Lapeggio bij Florentië en vraagt om meer nauwkeurige details in 1701.

Het eerste konkrete project in het jaar 1700 voorziet werkelijk de bouw van een italiaanse villa op de heuvel van de oude Bensbergse Noordburcht . Doch dan worden de plannen stapsgewijs veranderd in de richting van het kasteel van Versailles.

Johann Wilhelm´s sterarchitect, graaf Matteo de Alberti, kende Versailles door zijn verschillende bezoeken. De adellijke bouwmeester , geboren te Venetië in 1646 of 1648 en er in 1735 gestorven, werd in 1695 Jan-Wellem´s algemeen-beheerder van vestingen, wateren, wouden, gebouwen en technische constructies. Samen met het Bensbergse kasteel zijn het Keulse Ursulinenklooster de enig bekende gebouwen, die onder zijn leiding ontstaan zijn. Waarom de keurvorst zich tot Alberti richtte, weet niemand: een tijdgenoot vermoedt door toeval. Samen met zijn dienstheer deelde Alberti de passie voor de alchemie, één aan vele koningshoven koortsachtig bedreven maar steeds zonder resultaat blijvende bezigheid om goud te winnen ( volgens Kluxen als "allerlei gekheid" te beschouwen ) en die naast de valsmunterij er alleen toediende de vorstelijke huishoudskassen te spijzen .

Op zoek naar een "universeel medicijn"

Wat Jan-Wellem en Alberti bij het zuiveren van kwikzilver brouwden, liep eigenaardiger wijze niet uit op het gele edelmetaal maar op de - evenzeer zonder resultaat - productie van een "universeel medicijn".

Op 21 juni 1700, drie jaren nadat de planning werkelijk in gang was gekomen, stuurde de keurvorst een brief aan de raad der stad Köln tot opname van zijn bouwmeester, die de leiding over de bouw van het jachtslot te Bensberg had, in de orde.

In 1703 ontstond de beroemde houten maquette van het kasteel, die tot in 1903 te Bensberg werd bewaard. Daarna verhuisde naar de Centrale-Kadettenopleidingsschool in Berlin-Lichtenfeld om uiteindelijk in 1928 terug te keren naar het Bensbergse heimatmuseum, dat in het slot gevestigd was. Daar viel het op 2 maart 1942 ten prooi aan de vlammen.

Waarschijnlijk werd in 1700 de grondsteen voor het kasteel gelegd en hield men zich vooreerst bezig met de omvangrijke uitgravingen, die in 1703 tot een verruiming van het bouwterras leidde.

In 1705 werd het fundament gelegd en daarna begon de ruwbouw.

Een Engelse gast sliep in de buurt van Wermelskirchen

In de herfst van 1705, kort voor het bezoek van de hertog van Marlborough aan Bensberg, schreef de keurvorstin dat de bouw in volle gang was. De Engelse veldheer John Churchill, Hertog van Marlborough en een der grote strategen van zijn tijd en voorvader van Winston Churchill,werd ineen prachtige tent feestelijk ontvangen, ging met de keurvorst op jacht en legde zich daarna naast het oude kasteel in een huis, dat later wijd en zijd het eerste koffiehuis was en vandaag het restau-rant Wermelskirchen is, te rusten. In 1710 waren de Corps de logis ( middenvleugel en de zijvleugels ) voltooid.Tergelijkertijd begon men met de zeer rijke binneninrichting .

In 1716, na de dood van Jan-Wellem op 8 juni in Düsseldorf, werd de arbeid plotseling gestaakt. De internationale schare van kunstenaars en vaklui, die tijdens de bouw in Bensberg verbleven, verspreidden zich in alle hemelsrichtingen.

Ontstaan was, zoals Jörg Gamer in zijn monografie " Matteo Alberti " beschreven heeft, een kasteel met een "architectonische kracht en majestueuse waardigheid, zoals in West-en Centraal-Europa nauwelijks terug te beleven valt ". De professor in de geschiedenis uit Erlangen,Kluxen, vermoedt dat de groepering van de gebouwen naar het voorbeeld van Versailles gebouwd werd, terwijl Alberti voorrang gaf aan de Italiaanse smaak maar met de vijf koepels een Benedenrrijn-munsterlands element toevoegde.

Kluxen citeert verder: " De zich in de centrale as oprichtende machtige hoofdkoepel onderlijnt het vertikaal streven van de in vierkanten verdeelde bouwsubstantie, die de rust van de voorgevels en het teruggetrokken relief van de profielen een tegenaccent geef ". De centrale as ligt trouwens nauwkeurig in het verlengde van de toen onvoltooide Dom te Köln.

Een deel van de bouwstoffen stamt uit steengroeven in Refrath. De plaats "Steinbreche" dankt hier haar naam aan. Van waar de massa bakstenen kwam,is nog niet gans duidelijk.Mogelijkerwijze vindt men enige aanduiding in de economische bloei van de kalkovens uit de buurt.

De keurvorst heeft zijn kasteel voor de laatste keer in oktober 1714 gezien.Het weer was slecht en de vorst was reeds ziek.Van de bijna 26 regeringsjaren had Johann-Wilhelm slechts 6 vredevolle jaren gekend.

Jan-Wellem wedde op het juiste paard

Zijn troepen leverden veldslagen in de buurt van Höchstädt ,Turijn, Oudenaarde en Malplaquet. Tijdens de conflicten met de zonnekoning Lodewijk XIV, die gans Europa meesleepten, wedde de keurvorst op het juiste paard en bleef trouw aan de keizer en zijn rijk. In 1708 werd hij beloond met het opperdrostschap van het rijk en mocht zo de keizer voorgaan met mde rijksappel. Deze rijksappel vinden wij als motief meermaals terug op de Bensbergse reliëfs.

In 1711 bereikte hij het hoogtepunt van zijn macht: hij bekleedde het ambt van "Rijksvicaris" en kreeg daarbij een sleutelpositie bij de verkiezing van de nieuwe keizer. Doch de vrede van Rastatt tussen Frankrijk en het Duitse Rijk werd ten zijnen nadele gesloten, de tegenstrevers sloten boven zijn hoofd een akkoord. Jan-Wellem had te hoog gespeeld. De rang van keurvorst van Beieren, wiens heerser in het conflict de zijde van de Zonnekoning had gekozen en daarmee het "kiesrecht" verloor, moest hij teruggeven. Rijke provincies,die hem waren toegezegd, kreeg hij niet en daarmee was de droom van een "Grootrijk aan de Middellandse Zee met Sardinië, Sicilië en de Grote Balearen" ten einde.

Johann-Wilhelm stierf, gekweld door jicht en syfilis -een plaag die niet niet alleen in adelijke kringen voorkwam -, ontgoocheld en verbitterd op 8 juni 1716 te Düsseldorf " twee uren na zonsopgang" zoals een kroniekschrijver noteerde. Een jaar later vertrok zijn weduwe, die hem bijna 20 jaren overleefde, terug naar haar Italiaans geboorteland. Haar meubels uit het noordelijk gedeelte van het kasteel nam ze trouwens mee .

Jan-Wellem´s schilderijenverzameling verdween "auf Nimmerwiedersehen" en belandde in depots te München.

De lange zwerftocht van 86 meesterwerken

Op 20 januari 1795 vormde zich op het binnenplein van het kasteel van Bensberg een armzalig konvooi bestaande uit 2 wagens, 6 karren, 22 paarden en ettelijke knechten. De jonge kerels zagen er gehavend uit en bij de knollen staken de knoken door het vel. Geen wonder, het was oorlog.

De lading, die daar vóór 200 jaren op deze winterdag over de Bergse wegen in oostelijke richting hotste, stond in schril kontrast met de ellendige toestand van voertuigen en manschappen. In 6 kisten staken 86 waardevolle schilderijen van Italiaanse en Hollandse meesters, die keurvorst Jan-Willem ongeveer honderd jaar voordien had laten maken voor zijn Bensbergs jachtslot.

Goethe en Beethoven stonden in bewondering voor deze beelden

In deze onwezenlijk grote maar onbewoonde kamers waren ze stilletjes weggedeemsterd ; af en toe werden deze beelden bewonderd door prominenten zoals bv. op 24 juli 1774 door de 25-jarige Johann Wofgang von Goethe en in de zomermaanden van 1781 door de 10-jarige Ludwig von (van) Beethoven . Nu moesten de kunstwerken echter geëvakueerd worden omdat de Franse troepen op-rukten en er voor plunderingen gevreesd werd. Het eerste reisdoel was het slot te Hückeswagen.

Aangevangen had alles 2 jaar voordien, op 28 januari 1793, toen een keizerlijk-koninklijke commissie in begeleiding van 14 grenadiers aan de slotpoort klopte. De begeleidende officieren bevalen verschillende meubelstukken , schilderijen en andere waardevolle voorwerpen in een kamer onder te brengen en de deuren te verzegelen. Kasteelgravin Clara Moureaux en kasteeldienaar Johann Anton Daniels protesteerden heftig. Helaas, het mocht niet baten want de heren handelden op bevel van hogerhand. Het Bensbergse kasteel moest een krijgslazaret worden.

Oorzaak was de precaire situatie van de Oostenrijks-Pruisische troepen . De krijgstocht tegen het revolutionaire Frankrijk in augustus van het vorige jaar was na de kanonnade van Valmy in Champagne, waarvan Goethe ooggetuige was, blijven steken en de ganse verregende herfst waren de koalitielegers op een ellendige terugtocht door Vlaanderen en Noord-Frankrijk . Tyfus sloeg toe en het aantal doden was vreselijk hoog. De keizerlijke luitenant-generaal van de artillerie Karl Graaf van Clerfait, die zijn winterkwartier te Jülich en Köln had, zocht een lazaret voor zijn afgematte en doodzieke soldaten. Zijn keuze viel op het kasteel van Bensberg in het neutrale hertogdom Berg.

Kunstwerken in "schuren en stallen".

De omstandigheden werden katastrofaal, vooral wanneer na de slag van Neerwinden het aantal gewonden en zieken enorm toenam. Spijts alles slaagden Clara Moureaux en Johan Anton Daniels erin de schatten enigermate in veiligheid te brengen te midden de algemene chaos. Doch in okto-ber 1794 rukten de Franse revolutionaire troepen binnen in het gebied rond Jülich en de Rijn werd een frontlijn. Plots viel het de Düsseldorfse Hofschatbewaarders in dat er nog "schatten" waren in het kasteel te Bensberg. De Akademie-inspecteur Alois Cornelius kreeg de opdracht naar Bensberg te gaan en er alles te inventariseren, te laten verpakken en in veiligheid te brengen.

Eerste halte van het schilderijenkonvooi was Denklingen, waar de kisten met de kunstwerken in "schuren en stallen" werden ondergebracht. Tevens ontbrak het daar aan verse paarden maar uiteindelijk bewoog zich de karavaan richting kasteel van Hückeswagen.

Hoe het daar uitzag beschreef ons zeer aanschouwelijk de kasteelbeheerder Maubach in een brief aan de "Hoogedele keurvorst": "...het dak en al het andere is zo bouwvallig dat bij sterke regenval, zoals ik op 22 juni onderdanigst gemeld heb, het water door het gebinte tot op het gelijkvloers dringt." .

Ondertussen hadden de Pruisen en de Fransen een wankel vredesakkoord gesloten. Grondgebied werd afgebakend en een "demarkatielijn, die gedeeltelijk langs de Wupper liep, werd overeen-gekomen. De Düsseldorfse regering beval de Bensbergse "effecten" veiligheidshalve over de Wupper naar Radevormwald op Pruisisch gebied te brengen. In de plaatselijke kerk werden de schatten om te drogen opgehangen en bleven daar - half vergeten - zes jaar.

Het Bergse land werd verschillende keren het toneel van veldslagen , die meer volgens een guerilla-taktiek en ten koste van de plaatselijke bevolking, werden uitgevochten: de frontlinies wisselden voortdurend en de vredesverdragen ook. Doch na het vredesverdrag van Lunéville verlieten de Franse troepen in 1801 de rechter Rijnoever.

Anonieme gastgever trok zich terug

Eigenlijk moesten de schilderijen volgens de wil van Keurvorst Max Joseph van Palts-Beieren terug naar "de plaats van hun oorspronkelijke bestemming" dus naar Bensberg, doch in 1802 gingen zij naar Düsseldorf. Drie jaren later, toen de troepen van Napoleon zich op de andere Rijnoever opstelden, gingen de kunstwerken terug op reis en deze keer over Mainz en Kircheim-Bolanden naar München. Daar liggen zij tot op vandaag nog voor het merendeel in de depot(graf)kamers van de oude Pinakotheek in München.

Dat zij daar en op andere plaatsen - Schleißheim, Brühl , Düsseldorf, Würzburg - teruggevonden werden, danken wij aan het werk van amateur-historici, die in volharding en vindingrijkheid menig professioneel overtroffen hebben.

Max Morscher, Georges Vermandel en Willy Daubenbüchel, om er slechts drie te vermelden, hebben onvermoeibaar en op eigen kosten nagevorst en met speurdersakribie de sporen van de schilderijen van Weenix, Belucci , van der Min, Schonians en Pellegrini nagegaan. Hun kennis hebben zij lovenswaardig gepubliceerd, zij zijn er echter veel te weinig voor gewaardeerd geworden.

De spookreis van menig schilderij is nog niet ten einde. Vier schilderijen , voorstellend de keur-vorst Jan-Wellem, zijn echtgenote Anna Maria Louisa , de hofdames Signora Isabella de Schoesberg en Paltsgravin Eleonora Magdalena Theresia, hingen tot het einde van de tweede wereldoorlog in de galerij van het "Corps de logis" op de eerste verdieping.

Tussen de korte tijd nadat het "Nationaalsocialistisch Opvoedingsinstituut" naar Hardehausen in Westfalen verhuisde en de Amerikaanse soldaten op het kasteel ingekwartierd werden, verdwenen de 4 portretten spoorloos.

Enige jaren geleden werd een van de schilderijen in Köln via een stroman te koop aangeboden. Een paar kenners uit Bensberg spitsten de oren maar wanneer het eerste bod gedaan werd, trok de anonieme aanbieder het schilderij plots terug. Hij zal wellicht een reden gehad hebben.

Het paleis sluimerde vele jaren - en toen geraakte het in de wirwar van de europese oorlogen

Het lazaret in het kasteel was een ware hel

De tijd tussen het overlijden van Jan-Wellem in 1716 en de overname door de Pruisen in 1814 is een kalme, van verval getekende en uiteindelijk van het eigenlijk gebruik vervreemde periode.

Carl Philipp, de broer en opvolger van Johann Wilhelm, toonde geen interesse voor zijn hertog-dom Berg inclusief zijn Düsseldorfse residentie en het jachtslot te Bensberg. Hij bezocht het nooit waarschijnlijk daar hem de Jülichs-Bergse standenwetgeving niet beviel. De souverein resideerde in Heidelberg en daarna in Mannheim maar de belastingsinkomsten uit Jülich-Berg, die het hertog- dom jaarlijks met 600.000 daalders lichter maakte, versmaadde hij niet.

Het kasteel dommelde zachtjes in na de plotselinge aftocht van kunstenaars en vaklui. Reeds in 1714 had Johann-Wilhelm een burggraaf in een erfelijk ambt benoemd en dit werd vanaf 1726 door de familie Mouraux waargenomen .

Een merkwaardige strijd en een zomeronweder

Het verweesde slot werd heen en weer bezet door militaire bevelvoerders : onderandere tijdens de Oostenrijkse erfopvolgingsoorlog (1742-1748) en tijdens de zevenjarige oorlog (1756-1763).

De familie Mouraux raakte met de pastoor Abraham Körner in een merkwaardige ruzie om een kerkkrypte. Dat op 28 augustus 1782 een heftig zomeronweder boven Bensberg losbrak en aan het kasteel stormschade veroorzaakte , werd zeer uitvoerig vermeld - een teken daarvoor dat er anders niet veel te beleven viel.

Donderwolken van gans andere aard trokken in 1792 boven het Bergse land samen.Het revolutio-naire Frankrijk verklaarde Keizer Frans II de oorlog. De troepen van de Oostenrijks-Pruisische coalitie marscheerden in de lente en de zomer tot in de Champagnestreek maar werden in de herfst en de winter teruggeslagen. Zonder rekening te houden met de neutraliteit van het Bergse hertog-dom ( Kurt Kluxen noemde ze veelbetekend "versluierde" ) namen de Oostenrijkers het kasteel in beslag en richtten er een veldhospitaal in.

Tyfus oogstte de dood

" Op 28 februari 1793 hokten 1036 personen in het kasteel." deelt Willy Daubenbüchel, één van de onvermoeibare vorsers in zake het kasteel, mede. "Wanneer op 18 maart 1793 de gewonden uit de slag van Neerwinden aankwamen, liep het slot over van gewonden, zieken en hospitaalpersoneel, artsen en wachtsoldaten. Het brandgevaar werd steeds groter daar de watervoorraad in het waterbekken in het midden van het kasteelplein veel te klein was en de kamers geen schoorsteen bezaten. Tengevolge van dit laatste metselden de bewoners kachelovens en werden de verbran-dingsgassen door de vensters naar buiten geleid. De hygiënische toestand was eveneens katastro-faal en zo gebeurde wat na de terugkeer van het Vlaamse leger van het Maasfront gebeuren moest: tyfus brak uit."

Uit andere bronnen weten wij dat water en urine door de plafonds liep en zelfs door die plafonds van de kamers, waar de kisten met de waardevolle schilderijen uit het bezit van Jan-Wellem opge-stapeld waren. " Daar de in het Keizerlijk-koninklijk Lazaret van Bensberg gestorven soldaten niet diep genoeg begraven konden worden en daar men de kwade geur in het vrije veld ruiken kon" zo stond het vermeld in een bevel aan schout Johan Anton Daniel " moest men de lijken met kalk en extra aarde bedekken". De met paarden bespannen lijkkarren brachten 3000 dode soldaten, die onder de vlag van de Keizer gediend hadden, bergafwaarts in het beboste Hardt, waar zij een laatste rustplaats vonden.

Keizer Franz- Josef, die in 1916 als voorlaatste Habsburger op de troon stierf, liet in 1854 voor zijn gestorven landgenoten in Hardt een kruis, dat je tot op de dag van vandaag nog kunt zien, oprichten. Niet ver van dit stenen kruis staat in het dennebos een ander, deze keer een ijzeren kruis met als inschrift: "Aux soldats français enterrés ici en 1813. Un compatriote." Dit kruis werd geschon-ken in het jaar 1861 door de toenmalige eigenaar van de Bergisch-Gladbachse Zinkfabriek A.Müller, die uit Elzas stamde.

Tyfus en difterie woedden een tweede keer

De Franse ingenieur wees hiermee op de tweede lazaret-fase van het kasteel : toen de restanten van Napoleons "grande armée" na de verschrikkelijke nederlaag in Rusland ( waarbij overigens ook Bergse eenheden, die voordien tijdens Napoleon´s mislukte Spaanse oorlog al zwaar geleden hadden , bijna volledig vernietigd werden ) door de Duitse provincies terugkeerden , werd het kasteel van Bensberg opnieuw opvangplaats voor zieken en gewonden . Tyfus en difterie woedden een tweede keer en weer reden de met paarden bespannen lijkenkarren richting Hardt.

De toestand van het Slot werd een jaar later door burgemeester Fauth in een ambtelijk schrijven aan politiecommissaris Schnabel te Düsseldorf op 2 september 1814 als volgt beschreven:"De aanblik van zalen en kamers van dit prachtig gebouw, niets anders dan weerzinwekkende ruimten van een eerst kortelings verlaten militair hospitaal.".

De "Slotjuffer" was een besluitvaardige vrouw

De eigenlijke heerserin van het slot in deze woelige dagen, die Kurt Kluxen als " de heroïsche tijd voor het Bergse land " betitelde, was de beheerster Clara Mouraux, die in de kasteelannalen als de " Slotjuffer " werd vermeld. Zij bleef tot aan haar dood op 31 augustus 1834 ongehuwd .

Willy Daubenbüchel maakte nochtans melding van haar scharrelpartijtje met de Luitenant-inge-nieur Haintze, die door de Düsseldorfse Hofkanselarij met beveiligingsopdracht van de wegte-voeren kunstschatten belast was en op 13 november 1794 aan tyfus stierf.

Een jaar later zou Clara Mouraux Bensberg voor de plunderingen door de Franse soldaten, die na schermutselingen met de Bergse vrijschutters onder leiding van de "Vrijheidsheld" Pastoor Ommerborn aan de nieuwe jachtweg ( die voor de Bergse troepen wenig roemrijk verliep ) revanche zochten , beschermd hebben.

Deze resolute vrouw zou op de Franse Generaal-adjudant Richepanse zo een indruk hebben ge-maakt, dat hij zich met zijn op buit beluste troepen terugtrok en zijn doden meenam. Zo bleef Bensberg - toen een klein hoopje vakwerkhuisjes - gespaard. De Koning liet er een Kadettenhuis inrichten doch dan ergerde hij zich over de zware schending van het gebouw.

Een Pruisisch Majoor ging als een wilde man tewerk in het kasteel.

In 1815 door het besluit van het congres van Wenen, dat na de definitieve nederlaag van Napoleon Europa opnieuw verdeelde, ging het Bensbergse kasteel van Rijnlands in Pruisisch bezit over.

De nieuwe heersers wisten niet onmiddelijk wat zij met deze plotselinge erfenis moesten aanvang-en. De nieuwe, beherende administratie stuurde in 1819 soldaten, die een besmettelijke oogziekte hadden, naar Bensberg . Zij verbleven er naast de kasteelgravin Clara Mouraux, enkele van haar familieleden, enkele ambachtslui en nog een paar vergrijsde veteranen , die als invaliden-compagnie sinds het einde van de Zevenjarige Oorlog (1793) hier verbleven en er hun genadebrood kregen. Het kasteel was weer eens een lazaret maar heelwat meer gedisciplineerd dan voordien onder Fransen en Oostenrijkers en dat bleef het ook tot in 1832.

De kunszinnige Prins kwam niet aan zijn trekken

Na invoering van de algemene dienstplicht in Pruisen in 1814 en gezien de nieuwe strategische toe-stand had men nood aan officieren met een opleiding . Koning Friederich Willem III stuurde Generaal-majoor von Below, hoofd van het Kadettencorps, in het begin van de dertiger jaren naar Rijnland om er een gepast kwartier te zoeken. De keuze viel op Bensberg.

Bijna was het kasteel dit lot gespaard gebleven want midden de twintiger jaren bezocht de Kroon-prins, de latere koning Friederich Wilhelm IV, Bensberg en vond dat men dit bouwwerk zijn oor-spronkelijke functie moest terug geven.

Zijn minder kunstzinnige voorganger stelde aan dit hoopvol perspectief door een " Opperste Kabinetsbesluit" op 28 juni 1837 een einde: het kasteel zou een " Kadettenhuis " worden. De op-dracht tot ombouwen kreeg de Keulse stadsingenieur, Majoor Schulz, toegewezen. Schulz " ging te keer zoals Blücher" en stelde een vergaand verbouwingsplan van het kasteel voor. "Wanneer dit plan zou zijn uitgevoerd, was er van het kasteel geen sprake meer." schreef Kurt Kluxen in zijn " Geschiedenis van Bensberg ". Het plan werd echter aanvaard.

Zij gingen tekeer nog erger dan "de ergste vijand"

Tijdens het voorjaar 1838 begonnen de verbouwingswerken. " Honderden ijverige handen gingen tekeer zoals nog geen enkele vijand tekeer was gegaan." meldde ons een anonieme tijdsgenoot,die geciteerd werd door Werner Dobisch . Kluxen deelt mede: "Het zijden behang, het stucwerk en talrijke wandschilderingen werden vernietigd, plafonds werden ingeslagen en marmeren sier-schouwen afgebroken."

Tussenmuren en kleine gangen werden gemaakt, uit de grote ridderzalen werden troosteloze slaapen leslokalen voor de leerling-officieren (kadetten) . Schulz liet ook de kasteelkapel dynamiteren. Drie arbeiders kwamen hierbij om het leven. In de plaats daarvan werd een eenvoudige kapel voor de kadetten aan het centrale deel " geplakt".

Deze wijze van werken van de majoor werd zelfs voor-de-voor-laatbarok-weinig-voelende oorlogsminister teveel. Kapitein Schnitzler nam de leiding van de verbouwingswerken over en verhinderde op die manier de totale vernietiging.

Ook zijne keizerlijke hoogheid in het verre Berlijn was onaangenaam verrast: op 27 februari 1841 meldde hij per kabinetsbevel aan de oorlogsminister " zijn misnoegen" over deze architectu-rale barbarij. Het was echter te laat. Kluxen " Het kasteel was met een onkostennota ten bedrage van 146.155 daalders een 19de-eeuws militair-fiskaal dienstgebouw geworden.

Een doorsnede van het adeldom

Generaal von Below hield de feestrede toen de instelling op 4 oktober 1840 ingewijd werd. De eerste 63 aspirant-officieren namen hun intrek. Een jaar later waren er al 115 en in 1867 waren er al 220 op het appel. Nog een paar getallen: in totaal doorliepen 5000 kadetten deze school en onder hen waren later heelwat beroemdheden. Franz von Papen, de latere Rijkskanselier ( hij kwam trouwens in 1966 naar het Bondstreffen der vroegere kadetten in het kasteel ), Werner von Blomberg, de latere oorlogsminister. Natuurlijk vinden wij onder de kadetten oer-pruisische namen zoals: Bülow, Zedtwitz, Seeckt, Flotow, Wussow, Roon, Pritzelwitz.

" De naamlijst was niet enkel een doorsnede van de Rijnland-westfaalse adel en de Markse-pruis-sische families maar ook een barometer van de opklimmende burgerij." deelde ons de Refrathse architect Dirk Ludwig Kisch in de " Reinisch-Bergische Kalender 1990" mee.

In Bensberg slaagden de meeste leerlingen

112 vroegere Bensbergse leerling-officieren kwamen in de oorlogen 1864 , 1866 en 1871 en in de koloniale oorlogen van 1904/6 om het leven ; 534 vielen in de eerste wereldoorlog, 7 in de op een burgeroorlog-lijkende politieke omstandigheden bij het begin van de Weimar-republiek.

Op 10-jarige leeftijd kwam een kadet naar Bensberg, dat eigenlijk een soort pre-kadettenschool was. Het lessenrooster bevatte de vakken : latijn, godsdienst, frans, duits, aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, natuurkunde, schrijven, tekenen en zingen. Het kwam overeen met ongeveer dit van een burgerlijk "Realgymnasium". Op 16 jarige leeftijd , na het beeindigen van het "Obertertia" ging de kandidaat-officier naar de Berlijnse hoofdkadettenschool "Hetzgarten" genaamd en gelegen in de "Neue Friederichstraße", later vanaf 1878 naar de nieuwe school in Lichterfelden. Normaal ging men verder naar de krijgsschool om daarna te dienen in het VII West-faalse en het VII Rijnse Korps van het Pruisische leger.

Bensberg was zo iets als een modelschool: het slaagpercentage om overtegaan naar Berlin lag bij 60% en " vergeleken met de resultaten van de algemeenvormende hogescholen uit die tijd waar 10 tot 20% een normaal slaagpercentage was , een enorm pedagogisch succes" meende Kisch.

Pruisische "kweeklingen" leidden een hard maar gezond bestaan en de officieren hadden het goed.

De laatste kadet reed met de tram naar huis .

Een Bensbergse kadet erkende men aan de lichtblauwe schouderstukken met een uit een rood snoer gevormde B. Het uniform leek op dit van de infanterie. De kadet moest met "U" aangesproken worden. Tromgeroffel wekte om 05H30 de leerlingen, die in grote zalen met maximaal 110 bedden sliepen, maar in de winter mocht dit een halfuur later. Hoe het ochtendtoilet van de kleine officieren-in-spe verliep, schildert een deelnemer: "Vesten uit, tanden poetsen, met de koude spons wassen, haar met pommade of kliswortelolie inwrijven, de scheiding boven het linker oog en kammen .

Broodjes op zondag

Het ontbijt bestond uit afwisselend rogge -, gries- of tarwepap, 20 gram boter en een snede roggebrood.´s Zondags kreeg je een broodje . Na de kerkelijke eredienst werd er om 12H00 een half uur geëxerceerd op het binnenplein van het kasteel. Soep, groenten en vlees was standaard-kost tijdens het middagmaal. De lessen tijdens de voormiddag werden aangevuld met handarbeid in de namiddag. Op het leerplan stond evenzeer de geschiedenis van het huis der Hohenzollern als heemkunde of het memoriseren van de officiers-dienstrangen en de kentekens.

Na de ontspanning had je dan een rijk avondmaal: pannekoeken, melkbrood , gortepapmet Rijnse appelstroop. Deze kadettenschool was een huishoudelijk autarke instelling: wat op tafel kwam, produceerde men grotendeels zelf . Hoogste leerdoel was orde, zelfbeheersing, tolerantie en gehoorzaamheid . Wie zich hier niet aanhield, kon dit vrij vlug voelen. De kataloog met tuchtstraffen ging van het strafschrijven over scherp arrest op water en brood tot verwijdering uit de instelling. Dikwijls toegepast werd het "ontslaan van het middagmaal": de zondaar moest tijdens het middagmaal aan een zuil in de refter rechtstaan en kreeg geen eten. Dit kon je ook beleven in 1970. In 1844 kocht de schoolleiding een vijver in het Milchborntal om er het zwemmen in aan te leren. De kadetten roeiden er tijdens hun vrije tijd. In 1900 werd het zwembad in het kasteelpark geopend: met haar "Basiliekvorm" een van de mooiste nieuwe gebouwen van de kadettenschool - volgens Godehard Hoffmann.

Ijs om het bier te koelen kwam uit de zwemvijver

De zwemvijver in Milchborntal gebruikten de officieren ook voor andere doeleinden: tijdens de winter haalden zij daar het ijs voor hun ijskelder , die tot op heden nog bestaat. Dank zij een speciale bouwwijze behield de kelder ook in de zomer een temperatuur van rond het vriespunt en zo dronken de heren steeds een koel biertje.De geuniformeerde opvoeders voerden een levensstijl aangepast aan hun stand ; zij leefden dus niet slecht. De commandant leefde op de eerste verdieping van de middenvleugel, in het hart van het kasteel in een ruime suite. Ritten te paard in de omgeving , tennisspel met de notabelen, feesten en banketten vulden de vrijetijd . Over het romantische gevoel van bevelvoerder Mathies bericht Norbert Hanebeck: " Kapitein-luitenant hield dolveel van het zingen van de nachtegalen in de lente en daar de kleine zangers dikwijls door zwervende katten in levensgevaar waren, legde Mathies zich met het geweer in aanslag op de loer. Hij schoot de roodbruine kater van de familie Rembold, wiens herberg aan het kasteelpark grensde. Hanebeck: " Hoe de herbergier geweten heeft op welke wijze hij van zijn kater vanaf geraakt is, werd nooit verder verteld." Ernstiger waren de spanningen tussen de kadettenschool en de bevolking toen de revolutie van 1848, die in Bensberg heftige emoties veroorzaakte , voor de deur stond. Op 31 januari 1848 brandde het in de zuidelijke vleugel van het kasteel: oorzaak onbekend. Men verdacht revolutionaire elementen doch dit werd nooit bewezen. Burgemeester Wachendorff, in conflict met zijn opstandige raadsleden en bevolking, onderhield nauw contact met de " reactionaire" kadettenschool en dit verhoogde nog het conflict. " Het gemeen" was niet tevreden omdat hij " het kasteel nog niet ontruimd en de kadetten en ambtenaren nog niet verjaagd had " zo beschreef Budde , een leerkracht, 5 jaar later in een bericht over de revolutionaire fase in Bensberg.

Rode vlaggen in de kasteeltuin

Op dat ogenblik was er al een overwinning van de reaktionairen. Het kasteel kreeg een nieuwe kommandant, het contact met de bevolking werd beperkt wat merkbaar was aan det steeds gesloten kasteelpoort. Enkel de burgers met protestantse geloofsovertuiging mochten op zondag- voormiddag de eredienst in de slotkapel bijwonen.

Het einde van de aanwezigheid van kadetten in Bensberg verliep weinig heldhaftig. Op 11 november 1918, twee dagen na de troonsafstand van de laatste Duitse keizer, reed ´snamiddags een met rode vlaggen versierde auto op het kasteelplein. Zeven mannen van een Bensbergse afdeling van de Keulse arbeiders -en soldatenraad, gewapend met karabijnen, stapten uit.

Allen naar moeder terugkeren

Eén hield een toespraak: "Ten gevolge van de laatste gebeurtenissen moeten jullie nu uw tweede heimat verlaten en naar jullie moeders, waar het jullie aan niets zal ontbreken, terugkeren." en " Dat jullie allemaal de keizer nog graag hebben, hem liefhebben en eren, willen we jullie niet ten kwade nemen ook al zijn wij een andere mening." Daarna vroeg de man nog een paar laarzen voor de armen uit de omgeving.

De kadetten gehoorzaamden, verwijderden de lichtblauwe schouderstukken met rode B, lieten hun verlofpapieren plichtsgetrouw door een lid van de arbeiders-en soldatenraad afstempelen. Orde hadden zij geleerd en de laatste kadet nam tegen 16H30 de tram en vertrok. Na de kadetten legden bezettingstroepen beslag op het kasteel - 10 jaar later komen de nazi´s

Pruisen herstelt de pruisische bouwzonden

Na het rustige vertrek van de kadetten op 11 november 1918 ( als afscheid hadden zij samen met de rode revolutionairen " Hoera " geroepen en het Duitslandlied gezongen ) veroverde de Bens-bergse bevolking het kasteel om vooreerst meubelen, kleding en schoenen te bemachtigen.

De Bensbergse gemeenteraad besloot op 27 november 1918 het kasteel overtenemen en legde be-slag op al de overgebleven uniformen, die aangepast en aan de arme bevolking uitgedeeld werden. De leden van de raad installeerden zich in de zaal van de 2de kadettencompagnie en hielden er hun vergaderingen .

Het hertenbestand verminderde zienderogend:

Begin december bezetten Engelse troepen Köln ; Bensberg behoorde tot een bruggehoofd op de rechter Rijnoever.

Op 18 december werd een Nieuwzeelandse ruiterijeenheid, die op 19 mei 1919 door Engelse sol-daten werden afgelost, ingekwartierd.

Op 12 februari 1920 ruimden de Engelsen een deel van het bruggehoofd en gaven het over aan de Fransen. Enige dagen later reden Marokkaanse eenheden met tulband en uniform de weg op naar het kasteel en namen het in bezit. In welke toestand het kasteel was, kunnen wij besluiten uit het feit dat de onderofficieren en manschappen van deze koloniale eenheid in het kasteel logeerden en de officieren bij privé-personen ingekwartierd werden. Op het grondgebied van het bruggehoofd gold de bezettingswet: samenscholingenvan gelijk welke aard waren verboden indien zij niet vooraf werden gemeld, uitgaansverbod voor de bevolking vanaf 19 uur ´s avonds. Verder lieten de militairen zich opmerken door zo intensief in het Köningsforst op herten te jagen, dat deze tot op enkele exemplaren na waren uitgeroeid

Op 31 januari 1926 was de bezettingstijd ten einde, wat door de Bensbergers met een vaderlands-lievend feest gevierd werd in de afspanning "Rheinische Hof". Adolf Hitler werd op 30 januari 1933 Rijkskanselier en de daarop volgende bruine diktatuur had ook gevolgen voor het Bensbergse kasteel : op architectonisch vlak in positieve zin. Bensberg werd de standplaats voor een nationaalpolitiek opvoedingsgesticht "Napola". De gemeenteraad gaf op 6 november 1933 zijn toestemming onder de voorwaarde dat de voortgezette gemeenteschool in het kasteel gehuisvest werd.

De gemeentevaderen waren eindelijk van het kasteel vanaf

Het liep verkeerd af: deze school paste niet in het concept van de geplande elite-school van de nieuwe machthebbers. Spijts dit alles waren de Bensbergse vroedevaderen nog blij dat zij van deze blok aan hun been af waren.Het kasteel belastte de gemeentekas teveel.

De verbouwingswerken aan het kasteel werden door de Rijksregering opgedragen aan Regerings-"baurat" Werner Dobisch, een onderlegd expert, die in 1939 voorzitter werd van het "Staatshoch-bauamt I" en tot 1946 verantwoordelijk was voor het beheer van de kastelen Sanssouci en Neuba-belsberg. Het concept van Dobisch voorzag in een uitgebreide herstelling van het kasteel: vooral het beschadigde dak en de loodbekleding van de 5 koepels. Belangrijker was Dobisch´s bedoeling de honderd jaar geleden gemaakte architectonische fouten van de Pruisen en van de rabiate Majoor Schulz zo veel mogelijk te herstellen. De oorspronkelijke ruimtelijke indeling zoals zij tentijde van Jan-Wellem bestond, kon men helaas niet meer herstellen. Ook de tussenplafonds in de oorspronkelijke traphuizen kon men om technische redenen niet meer verwijderen en het zicht op de plafondschilderingen van Pelligrini en Zannetti bleef van onder af voor altijd onmogelijk.

Dobisch liet echter de door de Pruisen " aangekleefde" tussenbouw voor het middengedeelte, het "Corps de logis", met de kapel voor de kadetten , die ook ten dienste stond van de protestantse gemeente, verwijderen . Voor deze kerkbezoekers werd in 1937 een nieuwe kerk aan de ingang van het gemeentelijk kerkhof gebouwd. Een van de weinige gevallen waarvoor de nationaal-socialistische overheid voor de bouw van een godshuis financiële middelen ter beschikking stelde.

Ter compensatie sloegen de nazis des te brutaler op een andere plaats in Bensberg toe. Wegens "staatsvijandige aktiviteiten" legden zij in 1942 beslag op het seminarie voor priesters van het aartsbisdom Köln (het huidige onderwijs- en congrescentrum met de Thomas-Morusacademie) en onteigenden zij zonder enige vorm van schadevergoeding het reusachtige grondstuk (toen een van de mooist gelegen gronden aan de rand van de Keulse bocht tot het in begin der zeventiger jaren door een hoogbouwcomplex dicht gebouwd werd ).

Dit opleidingscentrum voor priesters zou later gehecht worden aan de Napola-instelling. " Waarschijnlijk was het de bedoeling om na de oorlog de ganse gemeente tot een selectiecentrum voor nationaalsocialistische elitaire leiders om te vormen" vermoedde Kurt Kluxen. Iets gelijkaardigs , maar dan op een hoger ( quasi wereld -) niveau, was ook gepland voor het dorpje Wewelsburg in Westfalen. Enkele leerlingen speelden indiaantje en het onderzoek naar de oorzaak van de brand werd als staatsgeheim behandeld

Kampvuurtje was de oorzaak van een grotere brand

In de zomer van 1934 ontruimden 41 dakloze families het Bensbergse kasteel .De NS-machthebbers zorgden dat de bouwnijverheid heelwat werk kreeg: zogenoemde werklozen-woonwijken werden gebouwd en huisvestten daklozen . Wie dan nog geen woning had, kon terecht in opgeeiste woningen. De kweeklingen van de Napo-opvoedingsinstelling vonden onderdak in het kasteel .

Pedagogisch voorbeeld was het college-systeem

Aangaande de Napola in Bensberg bestaan verschillende meningen. Enerzijds werd zij als een soort internaat zonder al te grote nadruk op politiekgericht onderwijs beschouwd, waarbij de romantische herinneringen van de toenmalige leerlingen en opvoeders een rol zal gespeeld hebben, anderzijds bestaat de idee dat deze Napola als een soort nationaalsocialistisch selectie- en oplei-dingscentrum, waar de militaire opvolgers voor de hogere rangen van de SS werden opgeleid, fungeerde. De waarheid zal echter ergens in het midden gelegen hebben. In tegenstelling tot de Ordeburchten en officiersopleidingsscholen voor de SS oriënteerde zich deze Napola meer op het Angelsaksische College-systeem. Het leerplan kwam overeen met dit van een "Realgymnasium" met een sterke nadruk op sport en muziek. De leerkrachten, waarvoor de vakbekwaamheid bepalend was, werden door de administratie van het Ministerie voor Cultuur aangesteld.

De gediplomeerden van deze Napola waren niet voor een militaire loopbaan bestemd maar eerder moesten zij een leidende rol in economie en bestuur van het land waarnemen. Deze school had in-ternationale banden en uitwisselingen met engelse en amerikaanse colleges.

De kleinzoon van Roosevelt was een uitwisselingsstudent

De kleinzoon van de amerikaanse president Theodoor ( "Teddy") Roosevelt verbleef als uitwis-selings-student in Bensberg toen de tweede wereldoorlog uitbrak. Er zijn ook mededelingen over een amerikaanse officier, een toenmalige leerling aan deze instelling, die na deze oorlog vroegere klasgenoten uit krijgsgevangenkampen zou bevrijd hebben. Spijts alles kon men toch niet ontkennen dat deze instelling sterk NSDAP-gericht georganiseerd was. Leerlingen en leraars droegen de bruine uniformen, een premilitaire opleiding was een vast onderdeel van het lessenrooster en een onderwijs met een duidelijk partijpolitiek wereldbeeld speelde een rol volgens Kluxen. Kontakten met de Bensbergse bevolking waren normaal en gewenst. Dat daarbij, volgens Kluxen, ook meer intieme ontmoetingen zoals met de Bensbergse BDM (Bund Deutsche Mädel ) gepleegd werden , had voor gevolg dat vooraleer de kweeklingen ten strijde trokken, zij onder de hakenkruisvlag met een meisje uit Bensberg trouwden alvorens zich voor de " goede" zaak te slachtofferen. In de nacht van 1 op 2 maart 1942 huilden in Bensberg de sirenen: het dakgebinte van de noordelijke vleugel stond in vuur en vlam. Zelfs de brandweer-korpsen uit de onmiddellijke omgeving rukten uit maar bleven aan de ingangspoort steken. Een dikke ijslaag bedekte de oprit en de poort was toegevroren.

Plafondschilderingen en de maquette werden vernield

Na het blussen van de brand stelde men de schade vast: deze was zwaar . In de trappentoren was de plafondschildering van Pelligrini " De val van Phaeton" volledig verwoest.Volledig opgebrand was ook het eerste schaalmodel van het kasteel uit 1703 alsook tekeningen en foto´s en dokumenten uit de periode van de kadettenschool.

Het "Rheinisch-Bergische" dagblad deelde mede in haar uitgave van maandag , 2 maart 1942: "Deze ochtend omstreeks halfvijf loeiden in Bensberg de brandweersirenen. In het kasteel van Bensberg, waar de NAPO-school is gehuisvest, is brand in de noordelijke toren uitgebroken. De brandweerkorpsen van Bensberg, Bergisch-Gladbach en later dit van Köln rukten uit . Spijts de inzet van alle middelen stortte de toren tegen 5 uur in en sloeg het vuur over op het dakgebinte van de ganse noordelijke vleugel . De brandweer spande zich in om het overwaaien van de brand naar het middendeel te voorkomen en slaagde erin. De schade aan de noordelijke toren was groot . In deze toren bevonden zich de vrijgezellenkamers en de "Kadettenherinneringskamer met waarde-volle inhoud".

Twee leerlingen verlieten met stille trom deze school

Over de brandoorzaak repte de krant met geen woord, maar heel wat geruchten deden de ronde :zelfs van een nihilistische vernielingsdrang was er sprake . Na een intern onderzoek,waarvoor zelfs de kasteelbouwheer Dobisch van Berlin naar Köln werd geroepen, werden de resultaten als een staatsgeheim gedurende 50 jaar bewaard. Eerst na een intensief onderzoek in de "Rheinisch-Bergische Kalender" door de heer Vermandel kwam de ware toedracht aan het licht.

Een stel 11-jarige leerlingen hadden op 1 maart ´s avonds op de zolder van de noordelijke vleugel indiaantje gespeeld - Sioux tegen Apaches - en een vuurtje gestookt.Toen plotseling een opvoeder opdaagde , trapten zij het vuurtje onzorgvuldig uit.´s Nachts ontvlamden de gloeiende restanten en.... De kleine brandstichters ontkwamen aan hun straf maar 2 leerlingen moesten diskreet de instelling verlaten.

Concentratiekampgevangenen uit Buchenwald werden opgeeist

Gevangenen uit Buchenwald werden naar Bensberg gehaald om de schade te herstellen. "4 dakdekkers, 2 timmerlieden, 2 schrijnwerkers en 2 metsers werden via de SS-brigade III van Köln uit Buchenwald naar Bensberg afgedeeld." dixit SA-groepsleider Holthoff, de leider van de instelling .Wat is er van deze gevangenen geworden ?

Tijdens de herfst in 1944 werd de instelling ten gevolge van de toenemende luchtaanvallen naar Hardehausen in Westfalen verhuisd. De mensen in Bensberg bemerkten er niets van ; zij hadden andere zorgen. In het nu lege kasteel deden de stedelijke administratie en de stadscommandant hun intrede.

Op 13 april 1945 trokken de Amerikanen de stad en het lege kasteel binnen. Zij werden opgevolgd door een Britse eenheid "Welsh Guards". Op 12 maart 1946 nam het Belgisch leger het comman-do over en op 16 augustus 1965 werd het Koninklijk Atheneum Bensberg in het kasteel gehuisvest.

Voor Bensberg, dat in 1947 stadsrechten kreeg, bleef dit alles vrij onbelangrijk. De kasteelpoort bleef 50 jaar lang voor haar inwoners gesloten .

R. Spittaels
Bensberg, februari 1996 .

Bron : Horst Breiler, "Geschichte und Geschichten ,Verlagsbeilage Bergische Landeszeitung, 22 maart 1995."


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 Unported License
team[at]kabensberg[dot]net